Boeken
Boeken van Hans Achterhuis:
- 2010: De utopie van de vrije markt. Rotterdam: Lemniscaat
- 2008: Met alle geweld: Een filosofische zoektocht. Rotterdam: Lemniscaat
- 2007: Lof en troost van de filosofie. Amsterdam: Ambo
- 2006: Utopie. Amsterdam: Ambo.
- 2003: Werelden van tijd. Stichting Maand van de filosofie.
- 1999: Politiek van goede bedoelingen. Amsterdam: Boom
- 1998: De erfenis van de utopie. Baarn: Ambo.
- 1995: Natuur tussen mythe en techniek. Baarn: Ambo.
- 1988: Het rijk van de schaarste: Van Thomas Hobbes tot Michel Foucault. Baarn: Ambo.
- 1984: Arbeid, een eigenaardig medicijn. Baarn: Ambo.
- 1979: De markt van welzijn en geluk: Een kritiek van de andragogie. Ambo.
- 1975: Filosofen van de derde wereld: Frantz Fanon, Che Guevara, Paulo Freire, Ivan Illich, Mao Tse-Toeng. Bilthoven: Ambo
- 1973: De uitgestelde revolutie: Over ontwikkeling en apartheid. Baarn: In den Toren.
- 1969: Camus: De moed om mens te zijn. Utrecht: Ambo.
Boeken onder redactie van Hans Achterhuis:
- 2011: Denkers en religie. Utrecht: Veen Magazines.
- 2005: Denkers van nu. Utrecht: Veen magazines.
- 2001: American Philosophy of Technology: the Empirical Turn. Bloomington/Minneapolis: Indiana University Press (vert. van Van stoommachine tot cyborg).
- 1997: Van Stoommachine tot cyborg; denken over techniek in de nieuwe wereld. Baarn: Ambo.
- 1993: Deugt de ethiek. Medische, mlieu- en bedrijfsethiek tussen trend en traditie. Baarn: Uitgeverij Gooi en Sticht.
- 1992: De maat van de techniek: Zes filosofen over techniek, Gunther Anders, Jacques Ellul, Arnold Gehlen, Martin Heidegger, Hans Jonas en Lewis Mumford. Baarn: Ambo (met Pieter Tijmes en Paul van Dijk).
Teksten van de achterkant
De utopie van de vrije markt
‘Hoe een utopisch geloof letterlijk blind kan maken voor de harde feiten, blijkt uit de diepe overtuiging waarmee Alan Greenspan alle economische gegevens die op een kredietcrisis wezen, bewust negeerde.’ – Hans Achterhuis
Veel mensen denken dat de vrije markt een objectief proces is dat niemand heeft bedacht en uitgevoerd. Niemand lijkt verantwoordelijk te zijn voor de ideologie en de utopie erachter. Er zou geen ‘kapitalistisch manifest’ bestaan.
Hans Achterhuis laat zien dat een dergelijk manifest wel degelijk bestaat. Dat is de fascinerende roman Atlas Shrugged (1957), geschreven door een in Amerika zeer invloedrijke filosofe van wie wij in Europa de naam nauwelijks kennen: Ayn Rand. Atlas Shrugged geldt in de VS na de Bijbel als het belangrijkste boek van de afgelopen eeuw. Het gaat over een elite van neoliberale utopisten die de bestaande samenleving volledig kapotmaken, waarna ze de nieuwe wereld van het ultrakapitalisme op kunnen bouwen.
Met dit boek leverde Ayn Rand de blauwdruk voor Milton Friedman en zijn ‘Chicago Boys’, die in het Chili van Pinochet gebruik hebben gemaakt van de militaire coup om hun neoliberale utopie versneld in te kunnen voeren. Ayn Rand was bovendien de ideo logische inspirator van niemand minder dan Alan Greenspan, tot 2006 de president van de Amerikaanse Federal Reserve Bank, waarvan de monetaire politiek in onze geglobaliseerde wereld letterlijk ieder mens raakt, zoals de kredietcrisis laat zien. Deze crisis vormt voor Achterhuis de beslissende aanleiding om de neoliberale utopie, met al haar verleidelijke én verwoestende kanten, diepgaand te onderzoeken.
‘Het ultrakapitalistische mensbeeld van Ayn Rand wees ik in het verleden instinctief zo sterk af dat ik aan een serieuze bestudering van het neoliberalisme als utopie niet toekwam. Achteraf erken ik dat ik daarmee niet voldeed aan het adagium van Spinoza dat ik voor mijzelf als filosoof graag stel. Het gaat er Spinoza om de menselijke en maatschappelijke verhoudingen zonder vooringenomenheid te bestuderen, “mij er niet vrolijk over te maken, noch daarover te rouwen of ze te verachten, maar enkel ze te begrijpen”. Welnu, als we willen begrijpen hoe bepaalde utopische beelden, ook na de kredietcrisis en de verkiezingsoverwinning van Obama, niet alleen de Verenigde Staten maar ook de rest van de wereld nog steeds in hun greep houden, dan is het noodzakelijk dat we de utopie van Ayn Rand bestuderen.’ – Hans Achterhuis
Met alle geweld
'De titel van mijn boek heeft een ironische ondertoon. Alsof het mogelijk zou zijn om "met alle geweld" de veelvormige verschijningsvormen van het geweld te doorgronden en te verhelderen! Toch zit er in de titel ook een niet geringe pretentie verborgen. Ik streef ernaar om zoveel mogelijk verschillende facetten en gezichten van geweldgebruik in onderling verband te presenteren. Meestal beperken studies over geweld zich tot een enkel aspect: staatsgeweld, seksueel geweld, terroristisch geweld, oorlogsgeweld, huiselijk geweld, enzovoort. Mijn uitgangshypothese is dat er minstens tussen een aantal van deze aspecten nauwe verbindingen bestaan en dat een diversiteit van wijsgerige benaderingen deze verbindingen zichtbaar kan maken.'
In zijn magnum opus Met alle geweld probeert Hans Achterhuis -- in het voetspoor van denkers als Hannah Arendt en ook veelvuldig in discussie met de actualiteit en de grote romanliteratuur -- de vele verschijningsvormen van geweld te begrijpen. Welke filosofische, antropologische, sociale en politieke mechanismen zitten erachter? Maken agressie en geweldgebruik als evolutioinaire erfenis deel uit van onze menselijke natuur? Als dat zo is, dan lijkt het utopisch om geweld volledig te willen afschaffen. Hoe moeten wij er dan mee omgaan? Rond dit soort vragen ontwikkelt zich een breed betoog dat van belang is voor iedereen die, al dan niet professioneel, zich vragen stelt over onze huidige conflictueuze maatschappelijke werkelijkheid. 'Alleen wanneer we leren leven met geweld, kunnen we ook leren het te domesticeren. Elke poging om het geweld radicaal uit te bannen, bergt het risico in zich het ongewild op te roepen en te vergroten.'
In de pers:
- ‘Monumentale studie van een monumentaal filosoof’ -- Peter Giesen in de Volkskrant
- ‘Diepgaand en tegelijkertijd breedvoerig’ -- Marnix Verplancke in De Morgen
- ‘Verdient grote bewondering’ -- Hans Dijkhuis in Trouw
Lof en troost van de filosofie
'"Wie schrijft als filosoof, schrijve persoonlijk of schrijve niet." [...] Van Albert Camus tot het welzijnswerk, van Ivan Illich tot de utopie, steeds was ik gevangen door de thematiek waarover ik schreef. Steeds ging het over vragen die ik mijzelf stelde en waar ik al schrijvenderwijs een antwoord op zocht. Maar misschien klinkt dat laatste al te groot. Hebben filosofen dwingende antwoorden te bieden? Wat zij nastreven is verheldering, wat ikzelf vooral probeerde te bereiken, was het begrijpen van een -- vaak maatschappelijke -- problematiek.'
In Lof en troost van de filosofie blikt Hans Achterhuis, bij zijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit Twente, terug op een wijsgerige carrière van meer dan veertig jaar. Het is het verhaal van een academicus, die als schrijver en publiek intellectueel in menig maatschappelijk debat het kritische geluid van de filosofie ten gehore bracht.
Werelden van tijd
Op het eerste gezicht lijken tijd en globalisering -- de twee grote thema's van dit essay -- weinig met elkaar te maken te hebben. Bij de ervaring van tijd denken we aan persoonlijke, ja zelfs intieme belevenissen, bij globalisering aan wereldwijde politieke en economische ontwikkelingen. Hans Achterhuis laat zien dat er wel degelijk veel verbanden bestaan tussen beide zaken. Enerzijds wordt het globaliseringsproces al eeuwen voortgestuwd door een typisch westers tijdsbewustzijn, anderzijds dwingt het iedereen tot een voortdurende versnelling van een eigen leven. De vraag die wij ons moeten stellen is in hoeverre de huidige vorm van het globaliseringsproces ons mogelijkheden laat voor een eigen invulling en beleving van onze levenstijd.
De erfenis van de utopie
Na zijn inmiddels klassiek geworden Het rijk van de schaarste heeft Hans Achterhuis met De erfenis van de utopie opnieuw een baanbrekend boek geschreven over een belangrijk maatschappelijk fenomeen.
In zijn nieuwe boek laat Achterhuis zien hoe ambivalent de utopische gedachte is en vraagt hij zich af of dit nu betekent dat wij het grote verhaal van de utopie vaarwel moeten zeggen, zoals het postmodernisme beweert.
Om tot een antwoord te komen onderzoekt hij eerst nauwgezet de vroegmoderne wortels van de utopische gedachte en de manieren waarop deze vorm heeft gekregen in het werk van Thomas More tot aan recente feministische sciencefiction.
Deze verkenning leidt tot een onderscheid tussen utopieën die langs maatschappelijke of langs technische weg gestalte krijgen. De valkuilen en verleidingen van de eerste worden geanalyseerd, wat tot een ondubbelzinnige afwijzing leidt.
Ook de technische utopie heeft gevaarlijke kanten, maar als zij al verwezenlijkt wordt -- en ongetwijfeld zijn grote delen van de hedendaagse technologische cultuur een gerealiseerde utopie -- gebeurt dat niet alleen anders dan gehoopt maar vooral ook gevreesd wordt. Zo zijn de meeste van de door Aldous Huxley in Brave New World voorspelde technologische ontwikkelingen inmiddels gerealiseerd zonder dat onze maatschappij een zielloze technocratie is geworden.
In zijn laatste hoofdstukken betoogt Achterhuis dat nu gebleken is dat de utopische droom niet verwerkelijkt kan en moet worden, het gaat om de vraag wat we van de erfenis van de utopie kunnen leren en behouden.
Het rijk van de schaarste
In Het rijk van de schaarse onderneemt Hans Achterhuis een sociaal-filosofische speurtocht naar de fundamenten waarop in de moderne maatschappij de schaarste zich kon ontwikelen. Zijn ries bestaat vooral uit een zorgvuldige en uitvoerige lezing van vijf grote moderne sociale filosofen. In de 17e eeuw weet Thomas Hobbes als eerste van hen dat schaarste 'de natuurlijke toestand van de mens' is: 'Daarom worden twee mensen elkaars vijanden als zij dezelfde zaak begeren, waarvan zij niet beide tegelijk kunnen genieten.' John Locke, de vader van de liberale rechtsstaat, zoekt in zijn filosofie uitwegen uit de harde maatschappelijke realiteit van de schaarste. In een dialoog met zijn twee grote Engelse voorgangers zet Jean-Jacques Rousseau het vertoog van de schaarste voort, een vertoog dat Karl Marx met zijn idee van een communistische maatschappij, waarin de schaarste overwonnen zal zijn, in zekere zin bekroont. Van de moderne denkers die de schaarste thematiseren, wordt aan Michel Foucault bijzondere aandacht besteed. In een kritische uiteenzetting van zijn werk ontwikkelt Hans Achterhuis de moderne relatie tussen schaarste en macht. De maatschappelijke relevantie van de door hem ontwikkelde filosofie van de schaarste wordt in de laatste twee delen van het boek uitgewerkt via de voorbeelden van de vraag naar schaarse voorzieningen in de gezondheidszorg en de mondiale problematiek van honger en ondervoeding.
Van stoommachine tot cyborg: denken over techniek in de nieuwe wereld.
Het Europese filosoferen over techniek staat vaak in het teken van de negativiteit. Er wordt gesproken over grenzen aan techniek en onderschikking van techniek aan vaststaande morele waarden. De gevaren van techniek worden beklemtoond, de dreigingen breed uitgemeten. 'Techniek' staat hier voor een fundamentele benaderingswijze van de werkelijkheid waarvan de heerschappij wordt aangeklaagd en afgewezen. Voor zover er op concrete technische ontwikkelingen wordt ingegaan, gebeurt dit meetal vanuit een ethiek die grenzen pretendeert te bewaken en ontwikkelingen af te remmen.
Het Amerikaanse denken over techniek is meer pragmatisch en concreet. Techniek wordt geanalyseerd via de apparaten en systemen die ons omringen. Bovendien is de uitgangshoudingvan waaruit moderne technologie onderzocht wordt, meer open en vragend. Niet alleen de bedreigingen maar ook de vele nieuwe perspectieven en mogelijkheden die geboden worden, komen aan bod. In deze benadering wordt eerder intern, van binnenuit over technische ontwikkelingen meegedacht. De kansen op maatschappelijke sturing van techniek blijken hier verrassend veel groter dan in de meer externe Europese benadering. In deze bundel worden in ons land relatief onbekende, Amerikaanse denkers geïntroduceerd: Albert Borgmann, Hubert Dreyfus, Andrew Feenberg, Donna Haraway, Don Ihde en Langdon Winner.
De maat van de techniek
Terwijl de filosofen nadachten en schreven over de wenselijke inrichting van de moderne maatschappij, waren de technologen bezig hun versie ervan te verwerkelijken. -- Deze observatie van Michel Foucault geeft aardig weer hoe vanaf het begin van de 18e eeuw filosofie en technologie heel verschillende wegen gingen. Sindsdien verkeren we steeds meer in een door technologie bepaalde cultuur. De moderne mens leeft volgens Jacques Ellul niet meer in een biotoop maar in een technotoop. Door Lewis Mumford wordt de moderne maatschappij beschreven als een machine waarvan wij de radertjes vormen.
Pas recent begint de filosofie over het verschijnsel 'techniek' na te denken. In Nederland heeft deze reflectie op de techniek in tegenstelling tot elders nog nauwelijks gestalte gekregen. De maat van de techniek introduceert een aantal toonaangevende denkers op dit terrein. De filosofieën van Günther Anders, Jacques Ellul, Arnold Gehlen, Martin Heidegger, Hans Jonas en Lewis Mumford worden geïnterpreteerd en met elkaar geconfronteerd. De actualiteit van hun denken wordt zichtbaar door dit te betrekken op eigentijdse technologische ontwikkelingen. Centrale ethische vraag hierbij is in hoeverre de techniek nog ruimte geeft aan het door Jonas uitgewerkte principe 'verantwoordelijkheid'. Kan de mens de techniek nog met een normatieve maat meten, of legt de techniek ons haar maat, haar technische normen en maatstaven op?